De kop van de zeenaald laat al duidelijk zien dat het familie is van het zeepaardje. De zeenaald komt alleen veel vaker voor in de zeeuwse wateren dan het zeepaardje Deze laatste wordt slechts af en toe in de Oosterschelde waargenomen.
Het lichaam van de zeenaald is bedekt met beenplaten en ringen in plaats van schubben. Omdat hij een hele slechte zwemmer is moet hij het voor bescherming voornamelijk van zijn vorm en zijn schutkleur. Een zeenaald zal dan ook veelal in zijn karakteristieke houding te vinden zijn: kaarsrecht, vertikaal en met zijn kop naar beneden. Als hij zo tussen wat zeegras hangt is hij moeilijk van b.v. zeegras te onderscheiden. Deze houding heeft voor de Zeenaald overigens ook nog een ander voordeel. Deze houding is erg goed bij het zoeken naar een prooi. En als hij dan iets eetbaars heeft gevonden zuigt hij dit met grote kracht naar binnen, tanden heeft de Zeenaald namelijk niet.
Het mannetje heeft onder aan de staart een speciale huidplooi waar het vrouwtje haar 100 tot 400 eieren plaatst. Het mannetje zorgt ervoor dat deze eitjes bevrucht worden en draagt deze bevruchte eitjes nog ongeveer 5 maanden met zich mee, in de daarvoor bestemde broedbuidel.
Als de jonge zeenaalden zich in de buidel hebben ontwikkeld verlaten zij de broedbuidel; in geval van gevaar zullen ze hier nog regelmatig in terug keren.
De kleur van de Zeenaald is geel tot bruin; soms heeft de zeenaald meerdere kleurschakeringen op zijn lichaam. Er zijn overigens twee soorten zeenaalden; de grote Zeenaald en de kleine Zeenaald. Beide Zeenaalden zijn zeer lastig van elkaar te onderscheiden. Alleen wanneer dieren groter zijn dan 17 centimeter gaat het met zekerheid om de grote Zeenaald.






.jpg)


