Een botervis is een lang, slank en aalachtig visje. Hij kan zo’n 25 cm lang worden. Over de gehele rug van de vis loopt een rugvin met over de hele lengte van de rugvin een aantal zwarte stippen met een lichte rand eromheen. Voor de rest is de botervis bruin/grijs gevlekt; bovenop wat donkerder en naar beneden toe iets lichter.
De kop van de botervis is in vergelijking met zijn lijf erg klein, evenals zijn staart. De naam botervis heeft hij te danken aan zijn met slijm bedekte huid. Hij is hierdoor zo glibberig geworden dat hij bijna niet vast te pakken is.
Het botervisje kom je het meest tegen in de wierzone, waar hij voornamelijk ‘s nachts op voedsel jaagt.
Tussen november en februari paren de Botervisjes. Als de paartijd aanvangt krijgt het mannetje een gele kop.
De vrouwtjes leggen zo’n 100 tot 200 eitjes die zowel door het mannetje als door het vrouwtje intensief worden bewaakt. Met hun lange lichaam wikkelen ze zich om het tot bal gevormde legsel. Na ongeveer 6 weken komen de eitjes uit. De uitgekomen larven drijven met de stroom meer. Als ze voldoende groot zijn keren ze terug naar de bodem, waar ze verder groeien. Het groeitempo van Botervisjes is overigens erg traag. In het begin groeien ze zo’&n 30 mm per jaar en later slechts 15 mm per jaar.
Ze kunnen ongeveer een leeftijd van 10 jaar bereiken. Het botervisje is het gehele jaar te vinden in Nederland.






.jpg)


