Ik zit voor mijn eerste duik in het water van de Bahama’s op het duikplatform en zie meerdere Caribische rifhaaien in het water zwemmen. Ik moet even slikken voordat ik het water in durf te glijden. Tijdens de duik zwemmen vele rifhaaien om ons heen. Ze bewegen zich nieuwsgierig richting boxen met visresten. Dit zijn zogenoemde baitboxen die als lokmiddel dienen. Als de derde duik zich aandient, blijk ik als eerste klaar te staan om over boord te glijden. Ik begin er zelfs plezier in te krijgen. Tijdens de eerste duiken mag ik dan wat afwachtend geweest zijn; nu laat ik de haaien dichterbij komen om ze goed te fotograferen. De geur van rotte vis begint zich te verspreiden en lokt steeds meer haaien.
De tweede haaiensoort, die we te zien krijgen, is de citroenhaai. Hij is te herkennen aan zijn geelachtige tot lichtbruine grijze kleur. Ze zien er indrukwekkend uit met hun scheve tanden in hun bek. Ze komen dichterbij dan de rifhaaien maar ook de citroenhaaien trekken zich onze aanwezigheid niets aan. Soms lijkt het alsof ze de duikers niet eens zien. Regelmatig voel ik dat mijn vinnen worden aangeraakt en wanneer ik omkijk, blijkt dit een citroenhaai te zijn die er even langs moet. Dan laat ook de eerste tijgerhaai zich zien. Hij zwemt een meter of tien bij ons vandaan. Ik ben zo onder de indruk van deze vijf meter lange haai dat ik bescherming achter de kleine Abernethy probeer te zoeken. De haai schenkt totaal geen aandacht aan ons en zwemt sierlijk voorbij, precies zoals het in de briefing werd beschreven. De volgende dag zien we meer tijgerhaaien en hoe gek het ook klinkt, ook aan deze immense beesten begin ik langzaam te wennen. Het wordt bijna gewoon om tussen deze roofdieren te duiken en het feit dat ik met de op één na gevaarlijkste haaiensoort ter wereld duik, wordt naar de achtergrond verdrongen. Tijdens een duik net voor zonsondergang zien we vier grote tijgerhaaien. De duikers werken als een team; om de beurt maken we foto’s. Op een gegeven moment wordt één van de duikers door een tijgerhaai van achteren benaderd. Hij ziet het dier niet omdat hij te lang door zijn zoeker kijkt. Abernethy grijpt in. Hij duwt de tijgerhaai met zijn camera weg maar het dier is daar niet van gediend. Hij doet zijn enorme bek open, grijpt de camera en zwemt er agressief mee weg. Ik voel me allesbehalve gemakkelijk en vraag me af waarom ik deze reis zo graag wilde maken. Gelukkig laat de haai uiteindelijk de camera los en zwemt de diepte in. Eenmaal terug aan boord vraagt Abernethy of één van de duikers foto’s van dat moment heeft gemaakt. Ik vraag hem of hij gek is. Als ik ’s avonds mijn foto’s bekijk, blijkt dat er toch iemand zo gek is geweest die er foto’s van heeft gemaakt…. ik. We praten nog lang na over wat er die middag is gebeurd en hoe het voorkomen had kunnen worden. Ik realiseer me des te meer dat we in deze expeditie met zeer gevaarlijke roofdieren te maken hebben en dat ik er niet te licht over moet gaan denken. Ik moet bekennen dat ik me steeds comfortabeler begon te voelen en daardoor ook wat gemakkelijker werd. De veiligheidsregels moet ik dus aanscherpen.